De techniek van windmolens
Een windturbine werkt computergestuurd. Bij een zuchtje wind start hij uit zichzelf op en levert stroom bij een windsnelheid van 3 meter per seconde. Dat is wanneer de bladeren aan de bomen bewegen. Bij harde storm, 25 meter per seconde, stopt de windturbine automatisch om geen schade op te lopen.
Via een telefoon- of computerverbinding kan de turbine op afstand worden opgestart of stilgezet. Ook is het mogelijk diverse gegevens in de gaten de te houden, zoals de windsnelheid en de hoeveelheid energie die de windturbine levert.

Bovenkant van de molen
Het bovenste deel van de windmolen wordt de gondel genoemd. De bladen van de molen zitten vast aan een as die de gondel binnengaat. De gondel draait op de mast, zodat de molen altijd optimaal met zijn neus op de wind kan worden gericht. De tandwielkast, generator en transformator zitten samen in de gondel.
De bladen
Het opwekken van windenergie begint bij de wind die de rotorbladen laat draaien. De rotorbladen kunnen kantelen om meer of minder wind op te vangen. Op de molens zitten sensoren die de kracht en richting van de wind meten zodat de bladen altijd in wind staan. Dit wordt ook wel kruien genoemd.
De rotorbladen zitten vast aan de hoofdas. De draaiende beweging van deze hoofdas wordt in een tandwielkast versneld. De tandwielkast drijft vervolgens de generator aan. Een generator is vergelijkbaar met een dynamo. In een dynamo wordt de draaiende beweging omgezet in elektriciteit. In de molen bevindt zich nog een transformator die de spanning van de stroom verder verhoogt zodat de stroom over grote afstanden getransporteerd kan worden zonder al te veel verlies.

